Zonder waarschuwing geef ik je af en toe een steek, vlijmscherp als met een mes. Je darmen raken van streek, ik prikkel je blaas. Elke toiletgang is er één met pijn. Ik ga er voor zorgen dat je komende week niet elk uur hier zit, maar minstens elk kwartier. Je buik laat ik zwellen, een doffe dreun vloeit door je rug. Met een flinke teug adem ik pijn uit, naar je ribben en tot voorbij je liezen. Al een week lang bereid ik je voor, maar houd ik me nog gedeisd. Je negeert me zoveel mogelijk. Maar niet vandaag! Vandaag wordt mijn kracht groot, grootser dan jij aan kunt. Zoals de zee, kom ik in golven, spoel ik over je heen. Ik laat je niet verdrinken, want wat moet ik zonder jou? In al mijn glorie ben ik aanwezig, weliswaar onzichtbaar, maar ik zórg ervoor dat ik gevoeld word.
Wit en met een korrelige structuur. Geen spin te bekennen vandaag. Zo ziet mijn plafond eruit. Ik ben aan het nadenken. Ik zie een wuppie voor me. Weet je nog wel, zo’n pluizig bolletje met ogen en platte voeten. Eigenlijk kan ik niet zo goed denken, maar ik heb afleiding nodig.